Discussie en onenigheid in bepaalde zaken.

Een profijt uit Fadl ‘Ilm as-Salaf ‘alaa ‘Ilm al-Khalaf
van Imaam Ibn Radjab al-Hanbali.

Van de zaken die de Imaams van de vrome voorgangers afkeurden was discussie en onenigheid en het redetwisten in zaken van halaal en haraam. Dit was niet de weg die de vrome voorgangers bewandelden. Dit werd echter na hun tijd geïnnoveerd.

Zo hebben de Foeqahaa (wetgeleerden) van Irak de zaken van onenigheid tussen as-Shaafie’iejah en al-Hanafiejah geïnnoveerd en er boeken over geschreven. Zij hebben hierin, in hun onderzoeken en de discussie hieromtrent, overdreven. Dit zijn allemaal innovaties die geen basis kennen. Dit is op een gegeven moment hun kennis geworden en het heeft hen afgehouden van de profijtvolle kennis. De vrome voorgangers hebben dit zeker afgekeurd.

Het is verder overgeleverd in de soenan in een marfoe’ hadieth: 1

“Er is geen volk dat afgedwaald is nadat ze waren geleid, behalve dat de reden hiervoor is dat zij gingen redetwisten. En toen las hij hij de woorden van Allah: Zij zeggen dit tot u alleen om te twisten. Waarlijk zij zijn een twistziek volk. (Soerat az-Zoekhroef vers 58) 2

1 Een marfoo’ hadieth is een hadieth die toegeschreven is aan de Profeet –vrede en zegeningen zij met hem van zijn uitspraken, zijn daden, zijn instemmingen, en zijn eigenschappen. (Ikhtisaar Oeloem al‐hadieth – Ibn Kathir)
2 Overgeleverd door Ahmed op gezag van Aboe Oemamah, at‐Tiermiedhie en hij zei: “Dit is een goede authentieke hadieth. “En is hassan ( goed verklaard ) door al ‘Allamaah al Albanie Rahiemahoellaah in Saheeh al Djaamie’ ( 5633).

Sommige van de Salaf zeiden: “Als Allah het goede voor zijn dienaar wil maakt hij voor hem de deur van goede daden open en sluit voor hem de deur van discussie. En als Allah het slechte voor zijn dienaar wil dan maakt hij deze deur voor hem dicht en opent voor hem de deur van discussie.”

Imaam Malik zei: ”Ik ben de mensen van dit land (al Medina) tegengekomen en zij keurden de vele discussies waar de mensen in zijn vervallen af. “

Hij verweet hen verder het vele gepraat en de fataawa (die zij gaven) en zei dan: “Iemand praat alsof hij een kameel is met heel veel verlangens. (Hij zegt dan) dit is zo en dat is zo en hij praat voor niets”. Verder keurde hij het antwoorden op vele zaken af en hij zei dan: “Allah heeft gezegd:

En zij stellen u vragen betreffende de Roeh. Zeg: "De Roeh is van de zaken waar de kennis ervan bij mijn Heer is. (Soerat al-Israa vers 85)

Er werd hierop geen antwoord gegeven.

Er werd verder tegen hem gezegd: (Wat is het oordeel over) een persoon die kennis heeft van de soennah, en hij redetwist ermee, waarop hij antwoorde:

“Nee, hij moet de soennah (slechts) verkondigen. Als het dan van hem wordt geaccepteerd (dan is dat mooi) en anders is hij stil.

Verder zei hij: “Redetwisten in de kennis wordt weggenomen door een verlicht hart”.

Hij zei ook: “Redetwisten in de kennis verhard het hart en het zorgt voor wrok”.

Hij antwoordde vaak op vragen waarover hij gevraagd werd. “Ik weet het niet”.

En Imaam Ahmed bewandelde hetzelfde pad als hem.

Er is verder ook een verbod overgeleverd op het overdrijven in het vragen, het vragen naar misleidende kwesties en naar kwesties te vragen die nog niet plaats hebben gevonden en nog veel meer.

Dit wetende, bevindt zich in de woorden van de vrome voorgangers en de Imaams (na hun) zoals Maalik, as-Shaafie’ie, Ahmed en Ishaaq een aanzet om van de wetsleer en regelgevingen datgene te nemen welke kort- en samengevat is en waarbij de bedoeling mee wordt bereikt zonder lang en uitvoerig hierop in te gaan.

De weerleggingen van de Salaf op de tegenstrijdige uitspraken waren slechts subtiele verwijzingen, en met de beste verwoordingen waarmee de bedoeling werd begrepen. Dit in tegenstelling tot de uitvoerigheid van de Moetakallimien (filosofen) die na hen kwamen. Het kan zelfs zo zijn dat deze uitvoerigheid niet de juistheid bevat die de woorden van de vrome voorgangers (wel) bevatten, welke kort en samengevat waren.

Niemand van de vrome voorgangers is dus stil geweest over het vele discussieren en redetwisten vanwege hun onwetendheid noch door hun onmacht. Maar ze waren echter stil omdat ze kennis hadden en vrees hadden voor Allah. En niemand na hen heeft gesproken omdat hij kennis had die zij niet hadden, maar het was de liefde voor het gepraat die zij hadden, en de weinige vrees voor Allah (al-war’).

Toen Hassan al-Basrie mensen hoorde redetwisten zei hij : “Dat zijn mensen die het zat zijn om aanbiddingen te verrichten. Het gepraat is voor hen gemakkelijk, en ze kennen weinig vrees voor Allah waardoor ze zijn gaan praten”

Mehdi Ibn Maymoun zei: “Ik hoorde Mohammed Ibn Sirien zeggen toen hij een man zag die hem wilde fascineren (met zijn kennis): “Ik weet wat je wilt. En als ik met je zou willen redetwisten, dan ben ik geleerde in de hoofdstukken van het redetwisten.

In een andere vertelling zei hij: “Ik heb meer kennis over het redetwisten dan jij, maar ik redetwist niet met jou”.

Ibrahiem an-Nakha’ee zei: “Ik heb nog nooit geredetwist.”

Abdelkariem al-Djazrie zei:” Iemand die vrees heeft voor Allah redetwist nooit.”

Ja’far Ibn Mohammed zei: “Kijk uit voor redetwisten in het geloof. Het houdt namelijk het hart bezig en het resulteert in huichelaarij.”

Omar Ibn Abdelaziz zei: ”Als je redetwisterij hoort wendt je dan af.”

En hij zei : “Iemand die zijn geloof blootstelt aan redetwisterij zal veel van geloof veranderen.”

En hij zei: “Degene die voor jullie waren, zijn bij de kennis gestopt, en hebben zich met inzicht onthouden. Zij waren sterker in het onderzoeken als ze dit zouden doen.”

En de woorden van de vrome voorgangers in deze betekennissen zijn veel. Veel van de latere generaties zijn hiermee beproefd, en dachten dat degenen die veel praten, discussiëren en redetwisten in zaken van het geloof meer kennis hadden dan degene die deze (eigenschappen) niet hebben. Dit is pure onwetendheid.

Kijk naar hoe de grote metgezellen en de geleerden van de metgezellen waren.

Zoals Aboe Bakr, ‘Oemar, ‘Alie, Moe’aadh (Ibn Djabal), Ibn Mas’oed en Zayd Ibn Thaabiet. Hun woorden waren minder dan die van Ibn ‘Abbaas, terwijl zij wel meer kennis hadden. En zo is het ook met de woorden van de Taabie’ien die meer zijn van de metgezellen, terwijl de metgezellen meer kennis hadden. En zo ook de woorden van de Taabi’ Taabi’ien, terwijl de Taabi’ien meer
kennis hadden.

Kennis is dus niet vele overleveringen en vele woorden, maar (kennis) is noer (licht) dat in het hart is verankert, waarmee een dienaar de waarheid begrijpt en waarmee hij het verschil kan maken tussen (de waarheid) en de valsheid. Hiermee kan hij dan ook zich uitdrukken in weinig woorden waar wel de betekenis van wordt begrepen.

En aan de profeet – vrede en zegeningen zij met hem- is Djawaami’ al-Kalami3 gegeven. Daarom is er een verbod overgeleverd op het teveel praten en het uitgebreid hebben over die heeft gezegd en die heeft gezegd.

De profeet – vrede en zegeningen zij met hem - heeft gezegd:

“Voorwaar, Allah heeft geen profeten gestuurd behalve dat zij duidelijke verkondigers waren. En het splijten van woorden is van de duivel”. 4

De betekenis hiervan is dat de profeet spreekt met datgene waarmee de
boodschap duidelijk wordt overgebracht.

[Einde]

3 Voetnoot SN : Dit is een vaste uitdrukking en het betekend de eigenschap om met weinig woorden alles te kunnen omvatten wat belangrijk is, en tevens begrijpbaar te zijn. En dit is de eigenschap die de Profeet –vrede zij met hem‐ gekregen heeft van Allaah.
4 Overgeleverd door Ahmed en AbderRazzaaq in zijn Moesannaf. En is da’ief (zwak verklaard ) door al ‘Allamaah al Albaanie rahiemahoellaah in da’ief al Djaamie’ ( 3788).

Bron: Fadl ‘Ilm as-Salaf ‘aala ‘Ilm al-Galaf (De overtreffende kennis van de Salaf tegenover de kennis van degene die na hen kwamen)
Vertaling: Said Ibn Abdelhamied al-Maghribie –hafidahoellaah-.

0 reacties:

Een reactie plaatsen

Live duroos